Vers van de pers

Ted van Lieshout: ‘Illustratoren eisen de aandacht niet op.’ Eis jij genoeg ruimte op als illustrator?

Ted van Lieshout: ‘Illustratoren eisen de aandacht niet op.’ Eis jij genoeg ruimte op als illustrator?

Dit is er eentje om blij van te worden: 31 illustratoren en graphic novelists krijgen samen € 558.333 van het Nederlands Letterenfonds om aan een nieuw boek te werken. Voor het eerst zijn binnen de vernieuwde regeling Projectsubsidies voor makers van boeken bijdragen toegekend aan beeldmakers.

Ted van Lieshout vestigde er op Instagram de aandacht op. Hij noemde het nieuws ‘iets fijns en moois en prachtigs’. En dat is het ook. Maar toen ik hem er verder over doorvroeg, zei hij iets wat ik super interessant vond: krijgen illustratoren nu de plek en erkenning die bij hun werk horen? En hoeveel ruimte eisen ze daarin zelf op?

Eindelijk geld om een boek te máken

Eerst even dat goede nieuws, want dat verdient aandacht. Sinds 2026 kunnen illustratoren en graphic novelists via de vernieuwde Projectsubsidies voor makers van boeken geld aanvragen voor de tijd die nodig is om een nieuw boek te maken.

En daar is duidelijk behoefte aan. Voor de eerste beeldmakersronde kwamen veertig aanvragen voor graphic novels binnen. Twintig daarvan kregen subsidie. Voor prentenboeken en andere geïllustreerde werken kwamen 28 aanvragen binnen, waarvan er elf werden toegekend. In totaal gaat er € 558.333 naar 31 beeldmakers.

De hele lijst met toekenningen aan beeldmakers is trouwens ook gewoon leuk om even door te bladeren. Niet alleen vanwege de bedragen, maar vooral vanwege de boeken die er dankzij deze subsidie kunnen komen.

Het geld is bedoeld voor het maken van zo’n boek. Voor het tekenen, schetsen, uitwerken en alle uren die verdwijnen voordat er uiteindelijk een prentenboek of graphic novel ligt.

Illustrator Irina Filcer is een van de makers die een bijdrage krijgt en vatte in een reactie onder het bericht van Van Lieshout mooi samen wat dat praktisch betekent: ‘Dit maakt het opeens mogelijk om “normaal” aan een boek te kunnen werken.’

Wie een prentenboek of graphic novel maakt, weet hoeveel tijd er in zo’n boek kan verdwijnen voordat het überhaupt in de boekhandel ligt. Schetsen, composities zoeken, opnieuw beginnen, uitwerken, nog een keer opnieuw beginnen omdat die ene spread toch niet werkt. Dat daar nu geld tegenover kan staan waarmee je daadwerkelijk tijd kunt vrijmaken om te maken, is nogal wat.

Kritisch

Voor Ted van Lieshout komt deze mogelijkheid niet uit de lucht vallen. Hij schrijft dat er jarenlang is geprobeerd om subsidies en werkbeurzen voor illustratoren beschikbaar te krijgen.

Daarbij is hij uitgesproken kritisch op het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Illustratie valt daar officieel onder het vakgebied vormgeving. In de huidige Regeling Vormgeving vallen ook illustratie, strip en graphic novel binnen het werkveld waarvoor makers een aanvraag kunnen doen.

Volgens Van Lieshout kwam de ondersteuning waarvoor hij jarenlang pleitte in de praktijk echter onvoldoende terecht bij illustratoren, en in het bijzonder bij makers van kinderboeken. Dat is zijn ervaring met en kritiek op het fonds.

Dat het Letterenfonds beeldmakers nu nadrukkelijker binnen zijn eigen subsidieregelingen heeft opgenomen, maakt hem dan ook blij. ‘Ik kan vertellen dat er nu een prachtlijst is met toekenningen van geld aan makers van geïllustreerde boeken en graphic novels. Kijk hier en wees blij’, schreef hij.

De nieuwe projectsubsidie staat bovendien niet alleen open voor makers die al jarenlang boeken maken. Bij de herziening heeft het Letterenfonds de regeling ook toegankelijk gemaakt voor onder anderen debutanten, illustratoren en graphic novelists. Voor beeldmakers is er jaarlijks één aanvraagronde.

Geld voor illustratoren

Met 31 toekenningen en ruim een half miljoen euro zou je kunnen denken: mooi, illustratoren hebben eindelijk hun plek.

Maar zo simpel is het natuurlijk niet.

Ik vroeg Van Lieshout daarom of hij het gevoel heeft dat illustratoren inmiddels meer worden gestimuleerd en serieuzer worden genomen. Daar wilde hij niet zomaar ja op zeggen.

‘Ik kan daar weinig zinnigs over zeggen omdat ik niet betrokken ben bij de besluitvorming. Het is afwachten of dit een tijdelijke opleving is of dat er stelselmatig geld wordt vrijgemaakt voor illustratoren.’

Ook de plek van illustratoren binnen het Letterenfonds ziet hij met enige nuance. Als literaire waarde daar het uitgangspunt is, vindt hij het niet vreemd dat illustratoren binnen zo’n fonds niet automatisch vooraan staan.

‘Eigenlijk zou het Stimuleringsfonds illustratoren moeten steunen en dat fonds doet dat niet. Mede niet omdat illustratoren de aandacht niet opeisen.’

Eisen illustratoren zelf genoeg ruimte op?

Die laatste zin bleef bij mij hangen. Ik ben benieuwd hoe illustratoren dit zelf ervaren.

Want voel jij je serieus genomen als illustrator?

Misschien denk je daarbij meteen aan geld. Aan tarieven, contracten of de mogelijkheid om maanden aan een boek te werken zonder ondertussen vijf andere opdrachten nodig te hebben. Maar het kan net zo goed gaan over je naam op de voorkant van een boek, aandacht in de media, prijzen, zichtbaarheid bij een uitgever of simpelweg de manier waarop over jouw aandeel in een boek wordt gesproken.

En dan is er die tweede helft van Teds opmerking: hoeveel ruimte neem je zelf in?

Spreek je je uit als je vindt dat je werk te weinig aandacht krijgt? Onderhandel je over voorwaarden? Vraag je subsidie aan? Zorg je dat je naam zichtbaar is? Of denk je juist: waarom zou dat steeds bij de illustrator moeten liggen?

Daar ben ik heel benieuwd naar.

Voel jij je serieus genomen als illustrator? En vind je dat illustratoren zelf meer ruimte en aandacht mogen opeisen?

Ik hoor graag hoe jij dat ervaart. Ook als je het hartgrondig met Ted oneens bent.

Foto: Karola G via Pexels

Laat een reactie achter

Reacties verschijnen na korte controle. Geen account nodig.